|
Toevallige
ontmoeting, deel II Even van mijn
stuk gebracht, weet ik er niet meer uit te brengen dan een onbeholpen
"sorry". Haar stem klinkt gelijk aan haar verschijning,
"geeft niet hoor, ik leef nog", brengt haar mond mij als
gezang ten gehore. Ik overhandig haar de papieren en haar handtas.
En terwijl ik sta te overdenken wat nu te zeggen, zie ik haar al verdwijnen
in de mensenmassa. Ik wil haar achterna lopen, met haar praten, haar
leren kennen, maar sta daar als aan de grond genageld. Lul die je
er bent. Altijd zo gebekt en getapt, en nu sta je daar als een verzopen
kat te kijken hoe ze verdwijnt zoals water uit je handen glijd. Wanneer
ik weer enigszins bij zinnen ben en mezelf heb opgeraapt, is ze natuurlijk
verdwenen. Ik onderneem een kleine speurtocht om haar te hervinden.
Slim als ik ben, zoek ik gelijk de uitgang omdat ik daar meer kans
maak om haar te vinden. Bij de uitgang waaiert namelijk de menselijke
zee uiteen en zou ik haar makkelijker moeten kunnen spotten. En zo
slim als ik ben, realiseer ik me niet dat je het station in Brussel
op diverse manieren kunt verlaten. Of ik nu wel of niet de juiste
uitgang had gekozen of niet, vinden deed ik haar niet meer. Zo vluchtig
als onze ontmoeting was, zo vluchtig was het ook weer voorbij. Op het station aangekomen speur ik met haviksogen naar mijn Elize. Ze is inmiddels tot de mijne verworden deze dag. Wanneer je zoveel aan iemand moet denken, dan mag je haar je eigen maken. Toch? Maar de wens is vele malen sterker dan de realiteit. Wanneer ik me later in de trein begeef, loop ik deze geheel door van voor naar achteren. Misschien heb ik haar op het perron over het hoofd gezien. Maar ook deze speurtocht naar een regenboog, brengt me geen pot met goud. Het moest bij die ene ontmoeting blijven, schrijven de sterren. Het is Zaterdagochtend wanneer ik mij de ogen open. Ik had me voorgenomen om vannacht van Elize te dromen, maar mijn controle over mijn dromen is een beheersing die mij niet is gegeven. Dan maar wat dagdromen door de dag heen. Zoals iedere dag, begint ook deze met pekken en teren. Bargoens voor koffie en een peuk. Had ik al verteld dat ik een talenknobbel had? Enkele uren later stap ik op de fiets en begeef me naar het centrum. Ik heb mijn zinnen gezet op een ouderwetse spijkerblouse, en die moet er dan ook komen. Na 3 winkels heb ik de blouse gevonden, en met een tevreden blik, onderneem ik de fietstocht naar huis. Op weg naar huis kom ik langs het huis van mijn broer, en besluit even aan te leggen voor een vochtige versnapering. Theun blijkt niet thuis te zijn, maar zijn geliefde Geertje kan mij ook wel wat inschenken. Ze zijn net terug van een 10 daagse vakantie bij haar ouders in Spanje. Die zijn daar een kleine 10 jaar geleden naar toe geëmigreerd om aldaar een wijngaarderij te exploiteren. U weet wel, druiven laten groeien, met je zweetpoten die krengen fijnstampen, om ze vervolgens enkele jaren in een houten vat te proppen alvorens je de vruchten van je noeste arbeid mag plukken. Hoewel het proces nu net iets anders gaat als ik het scherts, komt het op hetzelfde neer. Drank maken met een alcoholisch tintje. "Is Theun niet thuis?" De bekende vraag waarvan je het antwoord al weet. Waarom vragen mensen dat toch altijd wanneer ze weten dat iemand niet thuis is? Het is net zo als de naam van je partner roepen wanneer je in bed ligt. Wanneer deze dan antwoord met een "ja", volgt dan de domme en overbodige vraag, "ben je wakker"? Nee lul, ik converseer altijd als ik lig te slapen. Maar mijn vraag geeft me wel het antwoord dat ik wil horen. Namelijk waar hij is. "Het voetbalseizoen is weer begonnen. Ze zijn naar Fijenoord-FC Groningen." We keuvelen nog een half uurtje over de ‘vakantie’ in Spanje, alvorens ik weer naar huis ga. De rest van het weekend spendeer ik met wat lezen, tv kijken, en een kleine werkvoorbereiding middels inlezen, voor mijn werk van maandag. Waarom lijken vrije dagen altijd sneller te gaan dan werkdagen? Voor ik het abc kan opzeggen is het alweer maandag morgen. Mijn strijdkar staat nog steeds in de garage, dus wordt het weer een ritje met de trein naar Brussel. Ditmaal niet verveeld, maar opgewonden zenuwachtig, sta ik weer bij mijn rookpaal. Ik ga haar zien vandaag. Althans, zo heb ik me voorgenomen. Als de trein komt binnengereden, slaat mijn hart in gelijke tred met het cadans van de wielen die over het spoor bonken. Net als vrijdagmiddag, doorzoek ik de trein van voor naar achteren. En net als vrijdagmiddag, is het me niet gegund om Elize te zien. Gelukkig weet ik me nog net een plaatsje te bemachtigen waar ik mijn edele zitvlak kan laten neervlijen. Het is wel niet een comfortabele stoel in de wagon, maar het houten plankje dat zich tussen de wagons in bevindt. Maar ik zit, en het verhaal van Casaubon, Diatolevi en Belbo neemt zijn vervolg waardoor ik al snel het ongemak aan mijn reet vergeet. Ook op het station in Brussel is het mij niet gegund een blik op mijn nieuw verworven muze te werpen. Ditmaal ben ik
de taxichauffeur voor, "Genèvestraat 4, Rue de Genève
4" zeg ik met een binnenpretje. Ik zal je hebben, jij vuile taalstrijder.
Fransoise begroet me met haar altijd aanwezige glimlach en vraagt
me naar mijn weekend. Na mijn korte uitleg en retourvraag, verteld
ze me te hebben gewinkeld en dat ze naar een optreden is geweest van
een opkomende zanger die mij in het geheel niets zegt. Wordt vervolg |
Kunstenaar Henri Otten Mijn Hyve |