Toevallige
ontmoeting, deel I
26 augustus 2008
Uitermate
verveeld en geërgerd sta ik op het perron bij de rookpaal. Geërgerd
omdat ik nu met de trein naar Brussel moet, omdat mijn voiture zijn
werk heeft geweigerd, en verveeld omdat ik sta te wachten op mijn
trein. Voor mij is het een van de zinlooste dingen des levens. Wachten
op. Ik had wel een boek mee genomen, maar die werd pas soldaat gemaakt
wanneer ik mij kon vlijen in een der zetels van de NS. Voor nu was
het dus wachten als een paria van de maatschappij bij de rookpaal.
Ja, daar kies ik zelf voor, dat behoefd men mij niet te vertellen.
In een gesloten ruimte kan ik mij het niet roken wel voorstellen.
Maar op een open perron? Whats next? Niet meer roken in je eigen auto?
Als ik mijn stompje, wat eens een sigaret was uitmaak, hoor ik de
trein het station in denderen. Heel even moet ik denken aan vroeger.
Het geluid brengt me terug naar het kleine ventje dat met zijn ouders,
broer en zus, op visite ging bij opa en oma in Friesland. Wat een
reis was dat. Het had net zo goed naar het andere einde van de wereld
kunnen zijn, want mijn wereldje was niet groter dan het pleintje,
de straat uit naar school en 1 straat verder naar het snoepwinkeltje.
Die wereldreis was altijd een belevenis om 3 redenen. Het kijken naar
de koeien in de wei, het met geweld donderen over de bruggen van de
Maas, Waal en Rijn. Het feit dat ik opa en oma weer ging zien, maar
nog het meest geweldige was de Suske en Wiske die ik kreeg als we
op reis gingen met de trein. Ja, mijn kinderhand was snel gevuld.
De deuren van
de trein openen zich, en zoals de courtoisie voorschrijft, laten we
eerst de passagiers uitstappen, alvorens duwend naar binnen te gaan
om toch maar een zitplaats te bemachtigen. De ochtendspits is meedogenloos.
Niet alleen op de weg, maar ook in de trein. Ik weet me een zetel
te veroveren en kruis de benen over elkander, om niet te veel ruimte
weg te snoepen van de heer naast mij. Hij zit toch al zo nors voor
zich uit te staren alsof ik hem stoor bij een half uurtje relaxed
badderen in zijn tobbe. Het valt me op dat er geen "morgen"
meer vanaf kan. Zelfs een vriendelijk gezicht of een glimlach lijken
wel in een zwart gat verdwenen te zijn, om daar nimmer meer vandaan
te komen. Het zij zo, maar ik weiger daar aan deel te nemen en schenk
her en der toch een enkeling een vriendelijk gezicht met glimlach.
Die glimlach krijg je er bij mij gratis bij wanneer ik mijn vriendelijke
smoelwerk trek.
"De slinger van Foucault" van Umberto Eco wordt uit mijn
tas getrokken, en ik ga verder, daar waar ik was gebleven in het avontuur
van de heren Casaubon, Diatolevi en Belbo. Het boek is meer dan een
schrijfsel. Het is waarlijk een geschenk van de Goden der literatuur.
De Sixtijnse kapel van Leonardo DaVinci in lettervorm. Het duurt dan
ook niet lang, of ik zit geheel in het verhaal. Ik begeef me in Parijs
en schuim de straten af naar sporen die mij moeten leiden naar het
raadsel van het geschrift van Abulafia, scherm met woorden en permutaties
met mijn kompanen. Het zijn spannende tijden, en het is geweldig om
Diatolevi en Belbo aan mijn zijde te hebben. Wat later wordt ik wakker
geschud door de metalige stem van de treinmachinist, "wij naderen
nu station Brussel". Het geschenk van de Goden der literatuur
verdwijnt weer in mijn tas, en ik ga op zoek naar de uitgang tussen
de mensenmassa. Vreemd dat er toch mensen zijn die perse de verst
weg liggende uitgang moeten hebben en daarmee dus tegen de stroom
van mensen in gaan. Mensen, een mooi maar onbegrijpelijke diersoort.
Ik vindt de uitgang en heb nu dus de rechten van de courtoisie die
ik eerder aan de anderen moest laten. Het is voor het eerst dat ik
mij met de trein naar Brussel moest begeven, en zoek dan ook even
welke weg te moeten volgen. Je moet weten dat ik een hekel heb om
"gereist" te worden. Ik weet dat het geen bestaand woord
is, maar in mijn talenknobbel is deze wel degelijk ingeburgerd. Gereist
bn. 1 het niet zelf besturen van het voertuig waarmee men reist.
Het is niet dat ik er een Obsessieve Dwangmatige Neurose op na houdt,
of een controle freak ben. Het is gewoon dat ik de zaken graag onder
controle heb en die niet wil overlaten aan een ander. Definitie =
controle freak. Ach, een kleine ontkenning van een van mijn karaktertrekken
wil ik mij wel toestaan. Het gaat tenslotte om mijn meest geliefde
persoon.
Als ik het trapje van de trein verlaat en mijn voeten het perron raken,
raakt mijn schouder het lichaam van iemand die gelijk met mij de trein
verliet en veilig het perron probeerde te bereiken. Half struikelend
met het gezicht naar beneden gericht, zie ik wat mappen en papierwerk,
alsmede een handtasje vallen op de tegels. Ik laat mij verder naar
beneden glijden om zo de spullen bijeen te rapen die ik zoeven onfortuinlijk
bij iemand uit de handen wist te ketsen. Was het mijn schuld? Wie
botste er nu tegen wie? Onbelangrijke vragen want het veranderd niets
aan het gebeurde. Snel raap ik het spul bij elkaar en maak aanstalten
om overeind te komen. Maar op dat moment weigeren de beenspieren hun
dienst en blijven hangen in een halve hurkzit. De schuldige van deze
weigering der spieren, zijn mijn ogen. Ik staar naar een paar perfecte
benen, in de perfecte schoenen, met de perfecte panty. Ik durf niet
verder te kijken omdat ik bang ben dat het perfecte zal verdwijnen
wanneer ik het geheel mag aanschouwen. Vergeef me dat ik een man ben.
Wij zijn nu eenmaal meer gedreven in de seksualiteit omdat wij volgens
de biologie ons zaad zoveel mogelijk moeten verspreiden om de soort
in stand te houden. Maar het onvermijdelijke dient zich toch aan.
Ik moet overeind komen en haar de opgeraapte spullen overhandigen.
En daar stond ze dan, enigszins wat aangedaan. Een rijzige gestalte,
anatomisch en proportioneel tot in de perfectie. Het donker blauwe
mantelpakje van Versace, of wie dan ook. Het zag er in ieder geval
goed en duur uit. De lange haren netjes opgestoken en het brilletje
half op de neus, van waaronder zij mij met helder verlichtte bronnen
des levens aankeek.
Wordt vervolgd
Home